U bevindt zich hier: Taalgebruik Band Ond.-Werkw.  
 TAALGEBRUIK
 
Valentie werkwoord
 
     = passende naamvallen
       zinsdelen + voorzetsels
       bij een werkwoordkeuze
 
Valentie substantief
 
     = passende voorzetsels
 
Valentie adjectief
 
     = passende voorzetsels
 
Adjectiefkeuze
 
     voor substantieven
 
Band Ond.-Werkw.
 
     = passend werkwoord
       voor een onderwerp
 
Band Lijd.Vw.-Werkw.
 
     = passend werkwoord
       bij een lijdend nderwerp
 
Uitdrukkingswijzen

KEUZE WERKWOORDEN VOOR EEN ONDERWERP IN EEN ZIN

Navigatie onderwerpen

A   B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M 
                         
N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z 



Onderwerp B

 

Vaak is het voor een anderstalige moeilijk om het juiste werkwoord te vinden voor de uit te voeren handeling door het onderwerp van de zin. Zo bijvoorbeeld: "Der Affe sucht akribisch Läuse bei seiner Mutter". Het is beter te zeggen: "Der Affe laust seine Mutter akribisch". Onderstaande lijsten kunnen mogelijk een hulpje zijn om de juiste werkwoorden te vinden...

Hulp bij vervoeging:
Sterke werkwoorden en speciale werkwoorden zijn in de rechtse kolom hieronder gelinkt aan hun vervoeging.

 

 

Voorbeeld: "Da röteten seine Backen."

Substantief als onderwerp passende werkwoorden
Backe (die) röten
einfallen
schwellen
herabhängen
Ball (= speelbal) (der) aufspringen
aufrollen
sich drehen
prallen
landen
zappeln
wandern
Ball (= dans) (der) stattfinden
Ballon (der) platzen
wegfliegen
abtreiben
Band (= muziekband) (die) spielen
auftreten
Bär (der) brummen
sich aufrichten
Barometer (das) steigen
fallen
stehen (auf + dat)
zeigen auf (acc)
kündigen
Baum (der) blühen
absterben
erfrieren
eingehen
rauschen
sich biegen
Blätter bekommen
grün werden
Laub verlieren
Berg (der) ragen
Bevölkerung (die) zunehmen
abnehmen
wachsen
Biene (die) summen
schwärmen
ausfliegen
stechen
Blatt (van boom) (das) rauschen
rascheln
fallen
welken
sprießen
gelb werden
sich färben
Blick (der) auffallen
sich begegnen
sich treffen
wandern
Blitz (der) einschlagen
durchzucken
aufflammen
Blume (die) riechen
blühen
wachsen
gedeihen
erfrieren
eingehen
welken
verblühen
Blut (das) fließen
pochen
strömen
quellen
schießen
stürzen
sickern
tropfen
rinnen
trocknen
kleben
zirkulieren
vergossen werden
Blüte (die) duften
welken
sich entfalten
sich entwickeln
sich öffnen
sich schließen
abfallen
beginnen
enden
Bohne (die) blühen
ranken
Boot (das) in See stechen
treiben
gleiten
sinken
kentern
lecken
umkippen
umschlagen
untergehen
tanzen
liegen
anlegen
schaukeln
schwanken
zerschellen
auseinander brechen
vor Anker gehen
Brand (der) ausbrechen
schwellen
wüten
um sich greifen
Bremse (die) quietschen
kreischen
heiß laufen
versagen
blockieren
Brille (die) passen
sitzen
rutschen
anlaufen
Brücke (die) verbinden
sich spannen
führen
hängen
ruhen
Brunnen (der) sprudeln
fließen
plätschern
rauschen
Substantief als onderwerp passende werkwoorden



Navigatie onderwerpen

A   B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M 
                         
N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z 



 

Alle gegevens baseren zich op uitgaven van Duden en Bertelsmann. Verantwoordelijkheid voor layout: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).